ERROR Off The Road

Tennis

Toen ik een jaar of acht was vond mijn moeder dat ik mijn sociale vaardigheden wat beter moest ontwikkelen. Ik zat teveel binnen, met mijn neus in de boeken. Dat was ontegenzeggelijk waar, maar ik zag daar geen kwaad in. Maar goed, een beetje meer contacten met leeftijdgenoten kon misschien geen kwaad. De vraag was alleen: hoe?

Alleen al van de gedachte aan padvinderij werd ik onpasselijk, maar gelukkig hadden mijn ouders daar zelf ook bezwaren tegen. Ik had overigens al wel met veel genoegen het ‘Handboek voor den Jongen Verkenner’ gelezen—ik was ook toen al meer gecharmeerd van de theorie dan van de praktijk. Voetballen zag ik ook niet zo zitten, en dat gold eigenlijk iedere vorm van groepsactiviteit. Een poging bij de knutselclub van een jongerencentrum strandde na twee middagen op mijn eigen onhandigheid. Tennissen leek uiteindelijk een mooi compromis: je speelt wel met anderen, maar er zit een net tussen. Bovendien gingen twee of drie van mijn vriendjes ook op tennisles.

Het is nooit echt wat geworden, tussen tennissen en mij. In de eerste plaats kreeg je les in groepsverband, en als je dan zelf wilde spelen gebeurde dat toch meestal in dubbelspel, wegens een tekort aan banen. Dan was er ook nog een laddercompetitie waarbij je geacht werd zelf een tegenstander hoger op de ladder uit te dagen. Dat was wat mij betreft een onoverkomelijk bezwaar, en de laddercompetitie heb ik dan ook altijd verre van mij weten te houden. Het enige waar ik goed in was waren de spelregels. Die had ik zo onder de knie, maar mijn ogen waren ook toen al zo beroerd dat ik het nooit tot scheidsrechter zou brengen. De vriendjes die ook op tennissen zaten waren trouwens ook al geen steun. Achteraf heb ik het vermoeden dat zij om precies dezelfde reden op tennissen zaten als ik, en een samenzwering van moeders mag in dezen niet uitgesloten worden.

Toch heb ik ook wel leuke dingen meegemaakt, al hadden die meestal weinig met het spelletje te maken. Wij hadden een aardige leraar, die het beste met ons voor had. Ik denk dat hij dondersgoed doorhad dat ik nooit iets zou bereiken in de sport, en daarom liet hij mij en mijn vriendjes dingen doen waar wij wel goed in waren: de baan bespuiten bijvoorbeeld, of aanvegen met het net. Hij heeft ook nooit erg aangedrongen als het om competities ging.

Desondanks heeft hij me toch eens weten te strikken voor een woensdagmiddagtoernooi. Zo’n toernooi verliep volgens een knockout-systeem, dus ik verwachtte al na de eerste partij weer naar huis te kunnen. Die hoop werd alleen maar versterkt toen ik ontdekte dat de scheidsrechter bij mijn eerste partij de oudere en duidelijk beschermende broer was van mijn tegenstander. Maar die tegenstander bleek bij nadere kennismaking een sociale doodloper, waarbij vergeleken mijn eigen vaardigheden ongemeen zonnig afstaken. En ook fysiek was ik zijn absolute superieur.

Wij vingen aan. Ik verloor de toss, zodat ik de eerste game moest ontvangen. Hoewel ik het normaal van mijn servicegame moest hebben—als ik al eens een game won—trok ik deze game met een overtuigende love-stand naar mij toe. De rest van de set was een herhaling van zetten, zodat wij na een kleine twintig minuten 6-0 konden aftekenen. Dat was mooi: het was bloedheet, en niemand van ons drieën, de scheidsrechter incluis, had er veel zin in. Maar de wedstrijdleiding was onverbiddelijk: er werd gespeeld om drie sets. Terneergeslagen zetten wij ons weer aan de arbeid.

Dat ik de tweede set niet ook met straight games won, lag helemaal aan de scheidsrechter. Toen mijn tegenstander onverwacht twee keer scoorde op zijn eigen service, en ik in de buurt van de scheidsrechterstoel kwam om de bal uit het net te vissen, fluisterde de umpire me toe dat hij zijn broer deze partij ging laten winnen, “da’s voor hem wel zo leuk.” Ik vond het allemaal best, wat mij betreft mocht hij de hele partij mee naar huis nemen. Het bleef bij die ene game, zodat wij met de uitslag 6-0/6-1 naar de wedstrijdleiding konden.

Mijn volgende partij verloor ik met 6-1 en 6-2, zodat ik met opgeheven hoofd naar huis kon: ik had maar liefst twee partijen gespeeld en er eentje overtuigend gewonnen, terwijl mijn verlies in de andere in ieder geval niet zo uitgesproken was geweest als mijn winst in de ene partij.

Verder heeft die tennisles mij nooit veel opgeleverd. Later, in mijn studietijd, heb ik nog wel getennist, maar nooit echt om punten en zeker niet in wedstrijden. En ook op sociaal gebied heb ik er weinig geleerd, terwijl het daar toch eigenlijk om te doen was.

Het dieptepunt kwam op een Sinterklaasfeest dat door de tennisclub werd georganiseerd voor de juniorleden. Ik werd er door mijn moeder naartoe gebracht, hoewel ik er helemaal geen zin in had. Er was een gezamenlijke maaltijd, en daarna was er een bingo. De prijzen lagen uitgestald op een tafeltje. Ik weet niet meer precies wat er allemaal lag, maar ik herinner me in ieder geval een nietmachine en een vulpen. En een ruggekrabbertje: een uit bamboe gesneden geval met een omgevouwen uiteinde, waar voor de vorm vijf gestyleerde vingers in waren aangebracht. Het fascineerde me mateloos. Groot was dan ook mijn vreugde toen ik zowaar als eerste een bingo had, en dus als eerste een keuze mocht doen uit de uitgestalde prijzen. Ik aarzelde geen moment: het ruggekrabbertje was mijn deel. Dat bleek een grote fout.

Geen van de volwassen organisatoren vertrok een spier, maar mijn leeftijdgenoten, althans de meesten, lieten duidelijk blijken dat ik een sukkel was. Dat ruggekrabbertje, dat was een troostprijs, een niemendalletje, iets wat overblijft als de echte prijzen zijn vergeven. De nietmachine had ik moeten nemen. Of de vulpen. Onder geen voorwaarde had ik als eerste dat ruggekrabbertje moeten kiezen. Ik heb me grootgehouden. Mijn vader had immers een nietmachine, en zelf had ik een vulpen, zodat ik die artikelen niet meer hoefde te hebben. Maar ik was dolblij toen mijn moeder me ophaalde, en ik kan me niet herinneren dat ik ooit nog op een Sinterklaasfeest van de tennisvereniging ben geweest.

Toch was het een goede keuze. Ik heb dat ruggekrabbertje nog steeds, en ik heb er nog steeds plezier van. Het zou mij verbazen als dat nietmachientje of die vulpen nu nog steeds bestaan en gebruikt worden. Ik was dan sociaal niet zo vaardig, een zeker pragmatisme kon me toen toch niet ontzegd worden. Dat is heel wat, voor een achtjarige.

ERROR

Handboek…
Het handboek was uitgegeven in de jaren dertig en van mijn vader geweest, die zelf overigens ook nooit bij de padvinderij was geweest. Het stond bol van de racistische ideeën. Zo werd er uitgelegd hoe je de oprechte man kon onderscheiden van de typische misdadiger aan de hand van illustraties: een oprechte man heeft blond haar, een open blik en een stevige kin; de misdadiger daarentegen heeft een laag voorhoofd, een grote neus en weke lippen. Niet lang na het verschijnen van dit boekje zouden onze oosterburen zich, op grond van dergelijke uiterlijkheden, weinig padvinderlijk opstellen tegenover hun medemens. Opperpadvinder Baden Powell kon zelfs wel begrip opbrengen voor die houding. Maar toen ik het las werd ik nog niet geplaagd door politieke correctheid, en ik heb van het boekje genoten. Ik heb het nog steeds en mag er graag in kijken.

Deze tekst is ‘Off The Road…’, januari 2002

© Roelof Ruules