A SMALL MARGIN OF ERROR

Wetten

"Het was nogal een flinke knaap," zei de kaakchirurg, en hij bedoelde de verstandskies die hij zojuist had uitgebroken. Ik had drie dagen koorts, en een wang alsof ik pruimtabak gebruikte. Ik kon eindelijk weer eens een boek uitlezen.

Het werd De Wetten van filosofe Connie Palmen. Geen onaardig boek, en ook niet te dik. Het handelt kortgezegd over een filosofe die in zeven jaar tijd zeven mannen leert kennen die elk hun eigen wetmatigheden hebben gevonden in het leven. Het boek beslaat dan ook zeven hoofdstukken, en ieder hoofdstuk heeft als titel de functie van de man die er in centraal staat.

Zo’n getal zeven riekt naar mystiek, en het eerste hoofdstuk gaat ook over een astroloog. Vroeger was ik wel te vinden voor dat soort verwijzingen, en ik verslond auteurs die hun boeken opzetten volgens een ‘mystiek systeem’. Mulisch bijvoorbeeld heeft er nu en dan een handje van, en sommige mindere auteurs hebben het nog veel sterker. Maar toen ik De slinger van Foucault las, van Eco, begon dat mystieke me al tegen te staan. En tegenwoordig kan ik er niet goed meer tegen, tenzij het heel knap is gedaan. Bij Eco is het overdone. Het zal de fysicus in mij wel zijn.

Palmen heeft dus een beetje mystiek, maar het is niet te opdringerig. Bovendien schrijft ze wel acceptabel, en dat is toch ook wat waard. De astroloog legt later in het boek het loodje, en nog wel in het hoofdstuk met een (astro)fysicus als hoofdpersoon. Als dat geen toeval is, dan weet ik het niet meer.

Die fysicus komt er trouwens maar bekaaid af. Hij mompelt wat over sterren en probeert ook nog even op een bierviltje de relativiteitstheorie uit te leggen. Fysici weten dat dat een onbegonnen zaak is, tegenover een absolute leek, maar ze dragen meestal nog iets van enthousiasme over. Dat lukt deze fysicus al helemaal niet. Het blijft een plat karakter, die ook nog zijn vrouw bedriegt met de ik-persoon, en daar nauwelijks enige emotie over toont. Mischien is dat het beeld dat wij fysici oproepen bij filosofen.

Nee, geen van de mannen in De Wetten kan mij aanspreken. De wetten die mij nog het meest bevallen zijn de wetten van de ik-persoon zelf, bijvoorbeeld in de volgende passage. Een student naast haar heeft haar zojuist een pen te leen gevraagd: "Ik heb alleen mooie pennen. Ik leen mijn pennen niet graag uit. Ik kan pas liegen als ik mij er dagen van tevoren op voorbereid heb." Kijk, daar herkent deze fysicus zich wel in.

ERROR

Deze tekst stond eerder in de By The Way…, nummer 46.

© Roelof Ruules